Gedreven zakenvrouwen rondom de tuinen

Baas in eigen huis, tuin én bedrijf

We zien ze nauwelijks terug in de geschiedenisboeken, maar hoe was het met de vrouwen in de 17e eeuw? Om bloeiende economie draaiend te houden was ieders inbreng nodig. Terwijl de mannen veel tijd besteedden aan politiek, bestuur, handel en oorlogvoeren, bestierden de vrouwen het huis én vaak ook het bedrijf.  Voor veel kooplieden was hun echtgenote de betrouwbaarste zakenpartner. Hun positie als ‘openbare koopvrouw’ was zelfs wettelijk geregeld: tenzij de man haar expliciet verbood, had de vrouw stilzwijgend toestemming van haar man om zelf ook handel te drijven. Het kwam zelfs voor dat vrouwen in hun eentje op zakenreis gingen, als hun echtgenoot verhinderd was. En overleed de echtgenoot, dan nam de weduwe vaak de leiding van het bedrijf over.
David van der Plas - Magdalena Poulle met neefje Pieter (1683)

Een actieve rol in en om de tuinen

Planten verzamelen en kweken was lange tijd dé rage onder de elite en kennis van botanie gaf extra status. Omdat veel vrouwen zo’n bepalende rol in en om het huis hadden, komen we ze rondom de Tuin van Holland ook in allerlei rollen tegen. We zien de vrouwen en weduwen van rijke kooplieden die de leiding hebben over huis en buitenplaats, die ontwerp en aanleg van imposante tuincomplexen regelen en ook zelf volop aan het kweken slaan. We zien adellijke dochters, uitgehuwelijkt voor het groter familiebelang, een zelfde rol oppakken. We zien talentvolle schildersdochters die na een opleiding in vaders atelier eigen naamsbekendheid en een succesvol bedrijf opbouwen als botanisch tekenaar én wetenschapper.  We zetten er een aantal in de spotlights.

Agnes Block (1629-1704)

Agnes Block kweekte als eerste in de Republiek een vruchtdragende ananasplant. Een prestatie die ze door schilder Jan Weenix liet vastleggen. Als weduwe van een rijke lakenhandelaar verhuisde ze vanuit Amsterdam naar Loenen. Aan de Vecht liet ze buitenplaats De Vijverhof aanleggen – met een oranjerie, vijvers, boomgaarden, sier- en moestuinen. Ze bleek een bekwaam kweekster van zeldzame en uitheemse planten en verzamelde een collectie van honderden planten- en bloemensoorten uit alle windstreken. Een deel was geïmporteerd als zaad, andere verkreeg ze door uitwisseling met botanisten in binnen- en buitenland.
Jan Weenix - Agneta Block en tuin Flora Batava (1694)
Oranjerie en kassen van landgoed Gunterstein

Magdalena Poulle (1632-1699)

Na de dood van haar tweede man kocht Magdalena Poulle in 1680 de ruïne Gunterstein in Breukelen en liet het huis herbouwen. Net als Agnes Block, die ze goed kende, had ze een internationaal bekende collectie uitheemse planten. Magdalena Poulle liep voorop in technologisch opzicht: ze had als een van de eerste particuliere verzamelaars een innovatief type broeikas met een vroege vorm van vloerverwarming. Zo werd voorkomen dat de luchtvochtigheid in de kas ongezond laag werd voor tropische planten.

Alida Withoos (1661-1730)

Alida Withoos schilderde in 1687 de bijna rijpe ananas van Agnes Block, op iets minder dan ware grootte en ‘na ’t leven’. Die tekening is helaas niet bewaard gebleven, vele andere wel. Als schildersdochter bouwde ze een succesvolle eigen carrière op als botanisch tekenaar en schilder van stillevens. Haar fraaie en levensechte tekeningen waren wetenschappelijk accuraat. In één tekening combineerde ze verschillende groei- en bloeistadia van de plant, zodat ze konden worden gebruikt voor identificatie van soorten. Zo schilderde ze een tomatenplant uit de kas. Die werd toen uitsluitend voor de sier gekweekt: men was bezorgd dat tomaten giftig zijn. Pas rond 1900 komt de tomaat ook bij ons op het menu te staan.
Tomatenplant - Alida Withoos
Maria Sibylla Merian

Maria Sibylla Merian (1647-1717)

Maria Sibylla Merian was wetenschapper en kunstenaar tegelijk. Haar onderzoek naar de ontwikkeling van insecten was destijds baanbrekend. In kleurrijke gouaches legde ze haar observaties haarscherp vast. Ze werd een veelgevraagd tekenaar en runde samen met haar dochters een goedlopend bedrijf.

In 1699 reisde ze op eigen kosten met een dochter naar Suriname om daar de natuur te bestuderen. In 1705 verscheen haar magnum opus Verandering der Surinaamsche Insecten, met 60 gravures en begeleidende tekst, met onder meer vlinders, mieren, spinnen, reptielen en amfibieën, vergezeld door hun voedsterplanten.

Louise Henriëtte van Nassau (1627-1667)

De dochters van stadhouder Frederik Hendrik groeiden op rond Huys Honselaarsdijk en stonden via hun huwelijken aan de wieg van imposante tuinen in binnen- en buitenland. De oudste dochter Louise Henriette speelt als keurvorstin van Brandenburg een belangrijke rol in de wederopbouw na de Dertigjarige Oorlog. Onder haar leiding worden landbouwprojecten opgezet. Ze laat boerderijen bouwen en nodigt Hollandse boeren uit om zich in het gebied te vestigen. De Holländerei groeit er uit tot synoniem voor melkveehouderij. Ook stimuleert ze brouwerijen, tuinbouwondernemingen en de schapenteelt. Ze introduceert de aardappel, de bloemkool, de artisjok en de tabak in Noord-Duitsland. Slot Oranienburg wordt gebouwd in Hollands-classicistische stijl met siertuinen, boomgaarden en moestuinen. 
Louise Henriette van Oranje

... en haar (schoon)zussen

Schoonzus Mary Stuart (1662-1694) werd door haar huwelijk met Willem II prinses van Oranje en koningin van Engeland en Schotland. Architectuur en tuinaanleg hadden haar bijzondere interesse. Ze besteedde veel geld en tijd aan de verbouwing en behuizing van Kensington Palace, even buiten Londen, en Hampton Court verder stroomopwaarts langs de Theems. Daar introduceerde ze veel nieuwe planten en groenten vanuit Honselaarsdijk en de Fageltuin van Leeuwenhorst. Later bouwde Willem III deze collecties in Engeland verder uit.

Albertine Agnes van Nassau (1634-1696) werd in 1664 weduwe van de Friese stadhouder Willem Frederik van Nassau. Twaalf jaar later kocht ze bij Heerenveen een landgoed, waar ze het bos Oranjewoud liet aanleggen, met het huis Oranjestein.

Henriette Catharina van Nassau (1637-1708) was uitgehuwelijkt aan een vorst uit Dessau en liet daar eind 17e eeuw het Slot Oranienbaum bouwen, tegenwoordig onderdeel van het UNESCO werelderfgoed. Ook was ze onder meer verantwoordelijk voor de introductie van moderne waterbouwtechnieken.

Johan van Beverwijck

"Vrouwen zijn het superieure geslacht"

Zeker in vergelijking met omringende landen hadden Hollandse vrouwen veel vrijheid. Het was wel schipperen tussen de maatschappelijke en religieuze regels en de economische belangen. Er was ook wel degelijk discussie over de rol van de vrouw.

Arts Johan van Beverwijck publiceerde in 1639 zelfs het verrassend feministische boekwerk Van de uutnementheyt des vrouwelicken geslachts. In deze ‘lof der vrouwen’ betoogde van Beverwijck dat vrouwen superieur zijn aan de man, zowel lichamelijk als geestelijk. Hij weerlegde stereotype argumenten uit die tijd en wees op de maatschappelijke achterstand van vrouwen. Aan de hand van de geschiedenis wilde hij laten zien dat vrouwen tot grotere daden in staat zijn dan mannen. Daarom schreef hij een catalogus met de levens van 700 vrouwen, uit klassieke, bijbelse en historische bronnen én vrouwen uit zijn eigen tijd.

Johan van Beverwijck was een belangrijke stem in de Republiek. Met zijn veelgelezen drieluik Schat der gesontheyt (1634), Schat der ongesontheyt (1642) en Heel-konste (1645) schreef hij de eerste complete gezondheidsleer en huisapotheek voor een breder publiek. Daarin legde hij voor het eerst ook expliciet de relatie tussen gezondheid en voeding.

Zijn stellingname vond destijds weinig weerklank, maar van Beverwijck gaf met zijn boek de Hollandse vrouwen uit zijn tijd een plek in de geschiedenis. Er werden in de 17e en 18e eeuw meer van deze catalogi geschreven, met name om aan de hand van ‘geleerde vrouwen’ te bewijzen dat ook vrouwen wetenschap konden beoefenen. Het argument ‘we kunnen geen geschikte vrouwen vinden’ is niet van de laatste jaren!

En natuurlijk waren er naast elke vrouw die we hier in de spotlights zetten nog vele duizenden die in andere lagen van de bevolking een even onmisbare rol vervulden.

uit: Johan van Beverwyck - Van de Wtnementheyt des Vrouwelicken Geslachts (1643)